Ik zal wel nooit begrijpen waarom NRC een schrijver uitnodigt om over economie te schrijven. Morgen in de krant: een econoom die literatuurkritiek levert?
Natuurlijk, iedereen heeft recht op z'n mening, maar Marcel Möring komt in zijn NRC-artikel 'Marktgeloof' van dit weekend, weer niet veel verder dan slappe clichés, grove generalisaties en oude misverstanden.
Het stuk is blijkbaar de start van een serie getiteld: "Werkt de vrije markt wel?" Het antwoord op die vraag is al een eeuw bekend en luidt: vaak wel, soms niet. Vele Nobelprijzen zijn de afgelopen decennia uitgereikt aan economen die lieten zien wanneer de vrije markt niet tot de optimale uitkomst leidt. Daar hoeven literatoren echt hun tijd niet meer mee te verdoen.
Maar ze kunnen het niet laten. De demagogische truc is altijd dezelfde. Geef een voorbeeld van hoe de vrije markt niet werkt, en extrapoleer dat voor de hele economie. Misleidend, maar overtuigend. NRC is dol op dat soort onzin. Waarom heeft die krant eigenlijk nog 'Handelsblad' in z'n naam?
Hier - als troost - twee columns die ik dit jaar en in 2008 schreef:
Markthaters vertrappen de bron van onze welvaart (FD februari 2011)
Waarom slaapt u zo slecht, de laatste tijd? Waarom zijn de mensen om u heen zo kribbig, soms zelfs hufterig en onhandelbaar? Waarom vertrouwt u niemand meer? Filosoof Ger Groot heeft het antwoord op deze vragen. Het komt door de markt, door onze de liberale economie.
Groot is hoogleraar 'Filosofie en literatuur' aan de Radboud Universiteit. Afgelopen weekend kreeg hij twee pagina’s in NRC Handelsblad om het marktmechanisme aan de schandpaal te nagelen. Economische transacties op de vrije markt wakkeren wantrouwen en achterdocht aan, schrijft Groot. Marktwerking verandert blije burgers in egoïstische hufters. De overheid is medeschuldig aan deze noodlottige transformatie. Bijvoorbeeld door consumenten op te roepen van zorgverzekeraars te veranderen. “Geen groter gevaar voor de nachtrust”, oreert Groot, dan het idee dat je een dief van je portemonnee bent als je niet van verzekeraar wisselt.
De markt als bron van alle kwaad, als splijtzwam van de samenleving. We hebben het eerder gehoord. Vijf jaar gelden schreef hoogleraar Intellectuele Geschiedenis Frank Ankersmit in de Volkskrant ook al over het gevaar van de burger die zelf zijn zorgverzekeraar moet kiezen. Zo’n zelfredzame burger wordt wantrouwig en verliest zijn geloof in de politiek, beweerde Ankersmit met een onnavolgbare logica.
Rond dezelfde tijd kreeg hoogleraar Rechtsfilosofie Dorien Pessers in NRC Handelsblad alle ruimte om te ageren tegen de ‘vertrappende voet van de vrije markt.’ Hoe meer markt, hoe meer wantrouwen in de samenleving, beweerde Presser. En dat wantrouwen leidt cynisme, opportunisme en demotivatie.
Het is een zwartgallige visie, die gelukkig niet met de feiten strookt. De markt draait niet op achterdocht. Integendeel, het zijn vertrouwen en samenwerking die het marktmechanisme smeren. We schudden elkaar de hand en de koop is beklonken. Vertegenwoordigers sluiten onvolledige contracten (vaak tegen de zin van de achterdochtige bedrijfsjurist), omdat ze de koper kennen en vertrouwen. Niemand leest de kleine lettertjes in een contract, en meestal gaat dat goed. Werknemers werken ook hard als de baas hun ijver niet dagelijks controleert. Wantrouwen is inefficiënt en heeft op een goedwerkende markt geen plaats.
In het meesterlijk boek ‘The Bourgeois Virtues’, beschrijft de Amerikaanse econome Deidre McCloskey de moraal van de markt. ‘De echte economie wordt bepaald door echte waarden’, schrijft ze. Vertrouwen, altruïsme en zelfs solidariteit zijn essentieel voor succesvolle economische contacten.
Zelf in de meest steriele marktopstellingen in het economische laboratorium, waarbij de spelers volstrekt anoniem zijn en ze zich ongeremd egoïstisch kunnen gedragen, blijken samenwerking, vertrouwen en rechtvaardigheid een belangrijke rol te spelen. De markt is niet zo kil als de filosofen denken.
Voor naïviteit is op die markt overigens geen plaats. Ger Groot pleit daar in zijn NRC-artikel wel voor. Dat toont de diepte van zijn onbegrip. Naïviteit is bedrogen vertrouwen, en dient geen doel. Echt vertrouwen tussen koper en verkoper komt voort uit een ongeschreven sociaal contract dat in beider belang is.
De filosofen maken een valse karikatuur van de markt en dat is niet zonder gevaar. Met hun markthaat vertrappen ze de bron van onze welvaart. We gaan het marktmechanisme nog hard nodig hebben om de problemen van deze tijd aan te pakken – te beginnen met de stijgende zorgkosten. Niet door nachtenlang te tobben over de keuze voor een verzekeraar, maar door met onze vrije keuze (wie niet wil hoeft niet) de zorgsector aan te zetten tot betere prestaties. Daar is niets egoïstisch, argwanends of hufterigs aan.
Te belangrijk (De Groene Amsterdammer mei 2008)
Wat hebben de volgende termen gemeen: water, energie, kinderopvang, onderwijs, gezondheidzorg, journalistieke diversiteit, openbaar vervoer, cultuur, Schiphol? Ze zijn allemaal ‘te belangrijk om aan de markt over te laten’. Althans, volgens de lobbygroepen, politici en bureaucraten en andere belanghebbenden die dit zinnetje te pas en te onpas uit de kast halen.
‘Te belangrijk om aan de markt over te laten’. Sinds de stemming over marktwerking is omgeslagen, hoor je het steeds vaker. Water, bijvoorbeeld, is voor de mens van levensbelang. Het zou misdadig zijn via het marktmechanisme onder de Nederlanders te verdelen. Waterleidingbedrijven moeten in overheidshanden blijven.
Net als de broodvoorziening. Het belangrijkste voedingsmiddel van de Nederlander mag natuurlijk ook nooit ten prooi vallen aan de markt. De Rijksgraanboer, de Staatsmolenaar en de gemeentelijke bakkerijen moet blijven bestaan. Stel je voor dat we de productie en verkoop van brood over zouden laten aan een ongeorganiseerd netwerk van boeren, meelproducenten en lokale bakkertjes, die allemaal alleen vanuit eigenbelang zouden handelen. Het zou een onbetrouwbare, ongecontroleerde chaos worden.
Hetzelfde geldt voor de energiesector. Gas en elektriciteit zijn te belangrijk om aan de markt over te laten. De energiebedrijven moeten in handen blijven van provincies en gemeenten, zodat Nederlandse gezinnen altijd zeker zijn van energieleveranties. Voer marktwerking in en de energiebedrijven zullen in buitenlandse handen vallen. ‘Je moet er niet aan denken’, zei FNV Bondgenoten voorman Henk van der Kolk tegen het Financieele Dagblad. ‘Stel dat energie nog schaarser wordt, dan zal bijvoorbeeld een Duits bedrijf eerst de thuismarkt bedienen en dan pas zijn Nederlandse klanten van een overgenomen dochter.’ Precies, want buitenlandse bedrijven zijn niet te vertrouwen.
Daarom is het ook zo goed dat buitenlandse oliemaatschappijen geen kans krijgen op de Nederlandse benzine- en dieselmarkt. Langs de vaderlandse snelwegen mogen alleen Rijksbenzinepompen brandstof verkopen. Zo zijn de belangen van de Nederlandse automobilist veilig gesteld. Pompen van BP, Exxon of Total kunnen we hier niet gebruiken. Als het er op aan komt zullen die bedrijven auto’s met respectievelijk Britse, Amerikaanse en Franse kentekens altijd eerst laten tanken.
De kinderopvang is ook zo’n sector die van marktwerking alleen maar slechter wordt. Niets is zo belangrijk als ons nageslacht, dus alleen de overheid mag er op passen. Zo doen we dat toch ook bij babyvoeding? Alleen potjes uit de gaarkeukens van de overheid en melkpoeder uit de staatsboerderijen zijn te vertrouwen. Als bedrijven als Unilever of Danone zich met het eten van de allerkleinsten zouden mogen bemoeien, ging het zeker mis.
Zo is het ook gevaarlijk om marktwerking toe te staan in het onderwijs. We laten innovatie toch ook niet over aan de marktkrachten? Het openbaar vervoer moet een overheidstaak blijven. Net als de productie en distributie van fietsen- en auto’s. Schiphol mag de overheid nooit uit handen geven. Het is de motor van de economie, en strategisch van groot belang. We laten onze gasbel in Slochteren toch ook niet uitbaten door Shell en Exxon? En alleen dankzij de publieke omroep is er nog diversiteit in omroepland. Net zoals het aan de nieuws- en entertainmentsites van de overheid is te danken dat het internet geen grijze eenheidsworst is geworden. Ook cultuur moet worden beoordeeld, bestuurd en gesubsidieerd door de Staat. Rembrandt en Vermeer hadden zonder verregaande overheidsbemoeienis hun meesterwerken ook nooit geschilderd.
Als het belangrijk wordt moet je de overheid inschakelen. Want die heeft als producent een onberispelijke staat van dienst. In het van overheidswegen gerunde openbaar vervoer rijden alle bussen op tijd en zijn in de treinen altijd voldoende zitplaatsen. Op de Rijkswegen rijdt het altijd lekker door. Het onderwijs is een schoolvoorbeeld van efficiëntie en klantgerichtheid. In de kinderopvang is plek voor ieder kind en wordt rekening gehouden met de wensen van ouders. In de jeugdzorg loopt alles op rolletjes. Publieke omroepen zenden alleen kwaliteitsprogramma’s uit. En rond Schiphol kunnen alle bewoners rustig slapen. De energiebedrijven luisteren naar de klimaatzorgen van hun klanten en hebben besloten geen nieuwe kolencentrales te bouwen. Terwijl waterleidingbedrijven dankzij hun door de overheid gegunde monopoliemacht de prijzen sinds 2000 met slechts veertig procent hebben verhoogd. Het is duidelijk: efficiëntie, klantgerichtheid en innovatie zijn te belangrijk om aan de markt over te laten.
Laatste reacties